Kinderen weten het zelf. Ze krijgen alleen zelden de ruimte.

Waar het begon

Spijkenisse, eind jaren negentig.

Een school in een wijk waar de vaders op de haven werken en niemand tijd heeft voor omwegen. Recht voor zijn raap, zo ging dat daar. Ik was nieuw. Jong. Probeerde overeind te blijven in een klas vol groep 6 en 7-leerlingen die precies wisten hoe ver ze konden gaan.

In die klas zat een jongen.

Hij viel op, maar niet op de manier waarop kinderen meestal opvallen. Geen gedoe, geen geruzie. Hij zat gewoon te leren. Terwijl zijn klasgenoten druk waren met elkaar — met wie wat zei, wie welke schoenen droeg — was hij al verder. Veel verder. Hij had een klas overgeslagen, van 5 naar 7, en dat merkje.

Zijn ouders regelden vliegles, zodat hij ergens uitdaging vond buiten school. Ik maakte zelf materiaal, want wat er was, paste niet bij hem. We gingen in gesprek. Ik vroeg wat hem aansprak, wat hij wilde leren, hoe hij dacht.

En toch heb ik hem niet goed genoeg gehoord.

In dat eerste jaar was ik zelf zo hard aan het overleven — qua gedrag, qua leerstof, qua gewoon niet kopje-onder gaan — dat er te weinig ruimte was. Voor hem. Dat weet ik. Dat spijt me nog steeds.

De jaren daarna zag ik het steeds opnieuw.

In elke klas waren ze er. Kinderen die net iets anders in elkaar zaten. Die vastliepen, of juist onzichtbaar werden. Die opvielen om de verkeerde redenen, of helemaal niet opvielen terwijl er van alles speelde.

Ik ging op onderzoek. Probeerde van alles. Las, vroeg, observeerde.

En ontdekte steeds hetzelfde.

Ze wisten het zelf. Kinderen weten vaak precies wat ze nodig hebben. Ze krijgen alleen zelden de ruimte om het te zeggen.

De laatste jongen waarbij de cirkel voor mij echt rond werd, liep niet netjes in de pas. Dat werd gezegd. Hij deed niet zomaar wat er werd gevraagd. Was aanwezig op een manier die ongemakkelijk kon voelen. Intens. Soms moeilijk.

In gesprek met zijn ouders viel alles op zijn plek. Hooggevoelig. Sterke eigen wil. Niet moeilijk — anders.

Ik ging met hem in gesprek. Kleine vragen, maar echte vragen.

Waar wil je zitten als je je moet concentreren? Wie kan je helpen als je boos bent? Wat heb je nodig om weer tot jezelf te komen?

Hij wist het. Bijna altijd wist hij het.

Ik hoefde alleen maar te vragen.

En toen, vorig jaar, werd het hoorrecht bij wet vastgelegd.

Ik was blij. En geïrriteerd tegelijk.

Blij, omdat eindelijk wettelijk werd erkend wat ik al jaren wist: kinderen mogen en moeten meedenken over hun eigen leerproces. Geïrriteerd, omdat de naam — hoorrecht — het klinkt als iets wat je moet afvinken. Een taak erbij. Een vinkje in een systeem dat al vol zit met vinkjes.

Terwijl het voor mij altijd een uitnodiging was geweest.

Ik ging schrijven. Hoe kunnen scholen hier écht mee aan de slag? Niet als protocol. Niet als extra taak. Maar als gesprek — een gesprek mét kinderen, in plaats van óver hen.

Zo ontstond het WIJSgesprek.

Wil je zelf ervaren hoe zo'n gesprek werkt? Dat kan meteen. Geen training nodig, geen voorbereiding. Alleen jij, een kind en vijf vragen die het gesprek openen. Download ze hier gratis en probeer er morgen één.

[link naar de pdf]


Volgende
Volgende

Leren dat van binnen groeit | werken met fenomenen